Een man ontvangt van 2019 tot en met 2021 Ziektewetuitkeringen (ZW-uitkeringen) van het UWV. Op 13 januari 2020 ontvangt hij de eerste betaling die betrekking heeft op de periode van 2019 tot en met 12 januari 2020. Volgens de jaaropgaaf van het UWV ontvangt de man in 2020 in totaal een brutobedrag van € 44.691 aan ZW-uitkeringen. In zijn aangifte IB/PVV voor 2020 geeft de man dit bedrag aan als belastbaar inkomen. De man stelt vervolgens dat de eerste betaling bijna geheel ziet op zijn ziekte in 2019 en daarom in 2019 belast had moeten worden. 

Fout UWV

Hij voert aan dat de betaling ten onrechte niet in 2019 is gedaan door een fout van het UWV. Dit leidt tot extra IB door het progressieve tarief. De inspecteur stelt daarentegen dat de eerste betaling in 2020 is genoten, omdat deze op 13 januari 2020 is ontvangen en er geen bewijs is van eerdere vorderbaarheid.

Genietingsmoment

Periodieke uitkeringen, zoals ZW-uitkeringen, worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend worden of vorderbaar en inbaar worden. Het hof oordeelt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat het bedrag aan ZW-uitkering, inclusief de eerste betaling, in 2020 is genoten. De man heeft ook erkend de betaling in 2020 te hebben ontvangen. Dat de betaling ziet op een ziekteperiode in 2019, betekent op zichzelf niet dat deze in 2019 vorderbaar en inbaar was. 

Vorderbaar en inbaar

Een ZW-uitkering is pas vorderbaar na toekenning en is pas inbaar op het moment bepaald bij de toekenning. Zelfs als de betaling door een fout van het UWV pas in 2020 is gedaan, is deze in 2020 genoten en moet deze in de belastingheffing over 2020 worden betrokken. Het hof verklaart het hoger beroep van de man ongegrond. 

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1281 | 19-05-2026